Plaats bij een Mule 4 HTTP Request de bedrijfsproxy in de verbinding die die aanvraagconfiguratie gebruikt. Het proxy-element staat binnen een proxy-config-wrapper:

<http:request-config name="officeHttp">
  <http:request-connection host="api.example" port="80">
    <http:proxy-config>
      <http:proxy host="proxy.office.example" port="8080" />
    </http:proxy-config>
  </http:request-connection>
</http:request-config>

Dit fragment hoort in een bestaande Mule-applicatie waarin de namespace van de HTTP-connector is geconfigureerd. De host van de verbinding wijst de doel-API aan. De geneste proxy-host wijst de tussenpartij aan die die API bereikt.

Een operatie gebruikt die route door naar de configuratie te verwijzen:

<http:request method="GET" path="/status" config-ref="officeHttp" />

Het proxy-element accepteert ook gebruikersnaam en wachtwoord wanneer de tussenpartij die vereist. De connectorreferentie levert apart een NTLM-proxytype voor die authenticatieopzet. Kies het type dat de geïmplementeerde connector levert in plaats van een doellogin in ongerelateerde velden te zetten.

Voorbeelden voor Mule 3 zetten meerdere eigenschappen rechtstreeks op de aanvraagconfiguratie. Mule 4 groepeert verbindingseigenschappen onder request-connection en wikkelt het proxy-element zoals getoond. De configuratie een naam geven houdt de route herbruikbaar: elke HTTP Request-operatie die officeHttp gebruikt, gebruikt die verbindingsinstelling.

Gerelateerde artikelen