Een CXF SOAP-client kan zijn proxyconfiguratie op de HTTP-conduit dragen. Het clientbeleid kiest het eindpunt, terwijl proxyAuthorization het account van de tussenpersoon levert:

<http-conf:conduit name="{urn:reports}ReportsPort.http-conduit">
  <http-conf:proxyAuthorization>
    <sec:UserName>PROXY_USER</sec:UserName>
    <sec:Password>PROXY_PASSWORD</sec:Password>
    <sec:AuthorizationType>Basic</sec:AuthorizationType>
  </http-conf:proxyAuthorization>
  <http-conf:client ProxyServer="proxy.example" ProxyServerPort="8080" />
</http-conf:conduit>

Dit fragment veronderstelt dat de bestaande CXF-configuratie de naamruimten voor HTTP-conduit en beveiliging declareert. Vervang de QName van de voorbeeldpoort door de poort van de client die u configureert; een correct blok aan een andere conduit kan deze aanroep niet beïnvloeden.

De host en de numerieke poort beschrijven de forward-proxy. Het proxyAuthorization-blok is de specifieke proxyaccountinstelling van het schema. CXF heeft ook een authorization-element voor de inloggegevens van de bestemming. Het proxy- en het bestemmingsaccount blijven gescheiden.

Het getoonde Basic-type moet overeenkomen met een schema dat de proxy accepteert en dat het gekozen CXF-transport kan gebruiken. Zodra de bijbehorende conduit is geladen, krijgen bewerkingen die erdoorheen gaan dat clientbeleid en die accountconfiguratie.

Gerelateerde artikelen