Registreer de Azure Pipelines-agent met zijn proxy-invoer
Geef de proxy-URL en het account op bij de agentconfiguratie en behandel daarna taak-, extern-hulpmiddel- en containerverzoeken afzonderlijk.
./config.sh --proxyurl http://proxy.example:8080 \
--proxyusername PROXY_USER \
--proxypassword PROXY_PASSWORDVoeg deze parameters toe aan de gebruikelijke registratie-invoer van de installatie. Gebruik config.cmd op Windows en verkrijg echte accountwaarden via het credentialbeheer van de implementatie.
De vastgelegde proxy dekt de communicatie met Azure DevOps en de ingebouwde bron- en artefactbewerkingen. Taken krijgen de beschikbaar gestelde proxy-informatie via de taakbibliotheek en moeten die toepassen op hun eigen HTTP-clients.
Externe curl, dotnet of Maven heeft eigen ondersteunde invoer nodig. Containertaken hebben ook een vanuit hun netwerk bereikbaar eindpunt nodig; de loopback van de hostagent betekent daar een andere locatie. Eerdere image-pulls zijn een verzoek van de containerruntime.
Voor een proxy die Basic-terugval accepteert wanneer de installatie 407 krijgt, kiest de gedocumenteerde vlag --usebasicauthforproxy dat pad; hij kan geen mechanisme toevoegen dat de proxy niet ondersteunt.
Voeg in een gegenereerd implementatiegroepscript de invoer toe aan de aanroep van config.cmd en behoud daarbij de organisatie- en groepsargumenten. Een wijziging van WebRequest.DefaultWebProxy in een bovenliggende PowerShell is niet de agentconfiguratie van het kind.