Azure Pipelines: de proxyomgeving van NuGet Restore instellen
Geef het restore-proces http_proxy en no_proxy, ook wanneer NuGetAuthenticate de feedreferenties al heeft geconfigureerd.
NuGetAuthenticate configureert verificatie naar pakketfeeds. Een geslaagde verificatietaak configureert de uitgaande proxy niet voor dotnet, nuget.exe of MSBuild.
Als het instellen van de referenties lukt en de volgende restore een HTTP-proxy nodig heeft, geef dan de omgeving van dat proces mee. Bijvoorbeeld:
- task: NuGetAuthenticate@1
- script: dotnet restore
env:
http_proxy: $(proxyUrl)
no_proxy: packages.corp.example,localhost,127.0.0.1proxyUrl is een bestaande pijplijnvariabele met de bedoelde volledige proxy-URL. Pas de uitsluitingslijst aan op het werkelijke routeringsbeleid van de feeds. Voor openbare feeds die via een openbare tussenpartij zijn toegestaan, levert de HTTP-proxylijst kandidaten voor een proxyUrl zonder account; houd de uitsluitingen voor privéfeeds aan. Dit fragment gaat ervan uit dat de pakketbronnen van het project al zijn geconfigureerd.
Op Linux en macOS zijn de gedocumenteerde omgevingsnamen in kleine letters. Een pijplijnvariabele met de naam http_proxy kan hoofdletters worden wanneer deze automatisch wordt geëxporteerd. Een expliciete env-toewijzing behoudt de sleutel die het hulpprogramma nodig heeft.
Voor een zelfgehoste agent is een andere optie om deze waarden in de omgeving van het agentproces in te stellen en die agent opnieuw te starten nadat je ze hebt gewijzigd. De omgeving van een andere terminal werkt een al draaiende service niet bij.
NuGet ondersteunt ook proxyvermeldingen in de configuratie. Houd deze gescheiden van de referenties van pakketbronnen en controleer het werkelijke bereik van de configuratie wanneer een restore onder een ander account draait.
Een hersteld pakket kan meer nodig hebben dan de eerste URL van de feed. Als een latere pakketdownload of verificatiehost mislukt, gebruik dan die werkelijke hostnaam bij het beoordelen van het proxy- en uitsluitingsbeleid.